|
‘Hij wordt wakker. Water, meer water vrienden.’ Oliver ontwaakte langzaam uit zijn slaap in een van de fauteuils die bij de open haard stond. Om hem heen was het een drukte van jewelste, alsof hij in een drukke winkelstraat wakker werd. Overal liepen de meest vreemde figuurtjes druk heen en weer en de ruimte was gevuld met de meest lekkere zoete, zoute en zure geuren. ‘Zo jongen, je moet even wat drinken.’ Een van de martrollaars probeerde Oliver een beker water aan zijn mond te brengen, maar hij schrok ervan, stribbelde tegen en sloeg de beker uit de handen van zijn verzorger. ‘Bllrrpff,’ spuugde hij naar de martrollaar. ‘Waft prrrf? Is daft o hallo Expectasia.’ Het was inderdaad het kleine, wat oudere martrollaartje Expectasia die voor hem zat. Ze had de beker met water volledig over haar kleren heen gekregen en was nu kleddernat. ‘Eh sorry! Dat was niet de bedoeling.’ Oliver schaamde zich verschrikkelijk. Hij stond op en probeerde de kleren van Expectasia droog te kloppen, maar die kon zijn goedbedoelde, maar te harde klappen gelukkig nog net ontwijken. Tijdens die onbesuisde actie nam het gebonk in Olivers hoofd weer toe. Ook de wond in zijn arm begon hevig te steken. De jonge Verlosser ging weer voorzichtig in de fauteuil zitten en probeerde in de drukte van de Versmeltingskamer zijn vader te vinden. Door de korte, visuele zoekactie nam Olivers hoofdpijn echter enorm toe. Hij besloot daarom om zijn hoofd lekker op het kussen achter hem te laten rusten, zodat zijn blik nu op het bijzondere plafond gericht was ‘Hoi!’ Hij schrok zich dood, sprong uit zijn stoel en voelde de hartkloppingen in zijn hoofd als een bezetene tekeer gaan. ‘Wie wat hoe ’, maar er kwam even niets zinnigs uit. ‘Dat is Fots,’ giechelde Expectasia naar Oliver. ‘Die heeft je zojuist gered van de dood.’
|