|
Lot staart voor zich uit. Een briesje waait door haar lange blonde haren. ‘Als ik nou eens het lef had om op hem af te stappen. Gewoon, naar hem toe gaan en vragen of hij een keer met me uit wil.’ Lot ziet Peter voor zich, met zijn zwarte haar, zijn blauwe ogen, zijn innemende jongenslach, waarbij hij zijn prachtige witte tanden ontbloot... ‘Hij zou vragen waarom ik hem niet eerder heb gevraagd, en dan...’ Een geluid doet Lot opschrikken uit haar gedachten. Ze staat op en loopt naar de rand van het dak, waar ze meent dat het geluid vandaan komt. Ze ziet de bruine haardos van iemand die bij de regenpijp omhoog klimt. "Hé, Lot! Ik dacht wel dat je hier zou zijn!" Het is natuurlijk haar vriendin Ineke, die iets meer moeite heeft om op het dak te komen dan Lot. Terwijl ze toch helemaal niet dik is. "Hèhè," puft Ineke. "Ik begrijp niet goed waarom je zo vaak op dit duffe kerkdak zit. Alleen al de moeite die het kost om er te komen..." Het klopt dat Lot vaak op het dak zit. Ineke komt er alleen als ze Lot nergens anders kan ontdekken. "Het is gewoon een lekker rustige plek," zegt Lot. "Hier ga ik heen als ik gek word van mijn ouders, of gewoon, als ik wil nadenken." "Ja, ja. Ik kan wel raden over wíe je dan nadenkt. Ik wed dat je weer met je gedachten in dromenland zat, en dat een zeker persoon daar bij je zat!" Ineke moet lachen. Lot voelt haar wangen kleuren. Stom dat ze altijd zo snel moet blozen! "Ik mag toch best fantaseren?" "Tja," antwoordt Ineke. "Dromen zijn leuk, maar wanneer ga je er eens voor zorgen dat ze uitkomen?"
|