|
Rond half drie ging de telefoon. "Met Pa," hoorde ik, "Ha die Paatje," riep ik lachend (denkend aan de vervalste handtekening van die morgen en de verrassing die we voor hem en Ma in petto hadden), word jij ook zo lekker vrolijk van dit weer?’ Door mijn enthousiasme had ik niet bemerkt dat zijn stem anders klonk dan normaal en ik ratelde nog even allerlei onzin door totdat ik mijn vader hoorde zeggen: "Car stop even, ik heb slecht nieuws." Ik was ogenblikkelijk stil en hapte naar adem, mijn hart bonkte als een gek en ik durfde niks meer te zeggen of te vragen. Na een poosje stilte zei mijn vader met gebroken stem dat hij het vreselijk vond om me te bellen maar hij durfde niet naar Breda te rijden. Hij was zojuist met Ma uit het ziekenhuis gekomen en daar hadden ze te horen gekregen dat Ma kanker had. Het werd me zwart voor de ogen, ik draaide helemaal door. Ik gilde: "Nee, nee, niet mijn moeder...heb je dat wel goed verstaan, niemand in haar familie heeft kanker, het kan niet, het mag niet, ik wil dat niet, andere mensen krijgen dat maar Ma niet." Achteraf vind ik mijn reactie erg. Voor mijn vader en moeder was het natuurlijk ook een vreselijke klap geweest maar ik kon hen op dat moment niet steunen of opbeuren, ik was helemaal van de kaart. Toen ik uitgekrijst was zei mijn vader dat ik moest proberen om rustig te worden. "Neem een kop koffie en een sigaret, dan bel ik later terug." "Nee," zei ik, "niks rustig worden, ik kom er aan." "Doe dat nou maar niet," zei hij, "jij moet nu ook niet op de weg gaan, we veranderen er toch niks aan. Volgende week moet Ma voor verder onderzoek, we bellen straks nog."
|