|
Ik ging rechtop staan, richtte me naar het geluid en probeerde het te plaatsen. Soms was het even weg, maar het kwam toch steeds weer terug. Het leek wel uit mijn schuur te komen. Stil, om het dier geen angst aan te jagen, liep ik naar de schuur en duwde de deur open. Ik stapte naar binnen en het gejank hield op. Ik keek om me heen, maar zag niets bijzonders. Kwam het geluid dan toch niet hier vandaan? Ik liep naar de kast in het midden van mijn schuur om er even achter te kijken, niet echt verwachtend daar iets te vinden, en stond onverwachts oog in oog met een kleine jongen. Stomverbaasd keek ik hem aan. Dat hij doodsbang was, was me meteen duidelijk. Dat hij onvoorstelbaar smerig was, drong ook onmiddellijk tot mijn neusgaten door. Geen puppy, maar hij deed me toch denken aan een klein dier. Een eekhoorntje. Zacht en voorzichtig, om hem niet nog banger te maken, zei ik: ‘Hoi! Wie ben jij?’ Ik zag hoe hij slikte en slikte, moed verzamelend om mij antwoord te geven, dus zei ik: ‘Wees maar niet bang, hoor, ik doe je niets.’ Ik keek achter hem langs. Hij had een bed gemaakt van mijn oude gordijnen. Vindingrijk voor zo’n jong kind! En daar lagen reepjes brood. Ik kreeg een brok in mijn keel toen ik het herkende: het was het oude brood dat ik vanochtend voor de vogels naar buiten had gegooid. Ik zag een gevulde colafles. Hoe kwam hij daaraan? Was het een diefje? Waarschijnlijk wel. ‘G...G...Gijs’, stotterde de jongen. ‘Jij heet Gijs? Dat vind ik een leuke naam! Ik heet Larix. Woon je hier al lang, Gijs?’ ‘T...T...Twee dagen’, stamelde de kleine Gijs.
|