|
Toen Matthijs bij de oever aankwam, was hij behoorlijk moe geworden en hij ging even zitten om uit te rusten. Ondertussen keek hij naar de rivier. Hoe moest hij die nu oversteken? Terwijl hij daar over na zat te denken, hoorde hij ineens een plonzend geluid en vlak voor hem kwam de kop van een groot monster uit het water. Het monster leek net zo erg van Matthijs te schrikken als Matthijs van het monster. Ze slaakten allebei een harde kreet en deinsden achteruit. Het monster leek snel van de schrik bekomen. Hij kwam weer dichterbij met zijn kop. Matthijs zag dat het beest een hele lange nek had. Een watergiraf, dacht Matthijs. Die waren niet gevaarlijk, als je maar liet blijken dat je niet bang van ze was. De watergiraf bracht zijn kop vlak voor Matthijs z’n gezicht en brulde hard. Matthijs bleef stevig staan en beantwoordde de brul met zijn beste leeuwenbrul-imitatie. Het monster leek even verbaasd en liet toen grommend zijn tanden zien. Matthijs deed hetzelfde. Weer keek de watergiraf verbaasd. Matthijs begon hard te lachen. De watergiraf probeerde nog een keer hem bang te maken door zijn tanden te laten zien, maar toen Matthijs bleef lachen, drukte het monster zijn lippen weer op elkaar en begon Matthijs kopjes te geven.
|