|
Robert duwde zijn zoon naar voren tot hij met zijn neus tegen de opening stond. Hij zag nog steeds niets, net als de eerste keer toen hij voor de poort stond. Er was nog steeds dat rare beeld van het niets. Het was niet wit, doorzichtig of pikzwart, maar een onbeschrijfelijk niets. Oliver sloot zijn ogen en maakte een kleine stap naar voren. Zijn neus raakte een laag die heel zacht aanvoelde als hij ertegenaan drukte. ‘Oliver, luister,’ zei Robert zachtjes en wat bevelend. ‘Straks ga je de Ruggen-Graat in. Wanneer je door de Poort naar Iets de Ruggen-Graat binnengaat én als je er weer uitgaat zul je even wat weerstand voelen. Met die weerstand leest de Ruggen-Graat, als je naar binnen gaat, wat je nodig hebt en hoe hard je vervolgens moet trainen. Wanneer je de Ruggen-Graat weer verlaat leest hij de kracht die je op dat moment bezit. Als je kracht toeneemt, zal de weerstand afnemen. De Ruggen-Graat leest dus je prestaties en bepaalt wanneer je klaar bent voor je opdracht. Een beetje duidelijk?’ Oliver keek zijn vader aan. ‘Ik, eh, ik geloof het wel pap.’ ‘Nou, het wordt verder vanzelf wel duidelijk als je binnen bent. Succes.’ Robert gaf Oliver een klein duwtje en met zijn handen voor zich uit, voelend wat zich voor hem bevond, stapte Oliver voorzichtig naar voren, de Ruggen-Graat in. Het was alsof hij in een spiegel stapte, maar dan zonder spiegelbeeld. Dori keek haar ogen uit, want Oliver verdween gewoon in het niets. ‘En eh, o ja Oliver,’ riep Robert hem nog na, ‘kijk naar de borden en luister naar de martrollaars, want anders !’ maar hij was al verdwenen.
|