|
Toen de garagepoort terug dichtgevallen was, liep majoor Jan Kurilec langzaam naar de trap en monsterde de mannen beneden hem die zwijgend afwachtten. Drie mannen: zijn helper en twee onbekenden. Tot hoever waren ze te vertrouwen? Was er een bij die wist waarover het ging? Iemand die door een of andere tegenpartij ondergeschoven was om de buit op de gepaste tijd te kapen? Want een tegenpartij was er zeker. Die was er altijd, bij elke opdracht die hij uit te voeren kreeg. En hij wist zeer goed dat de ogenschijnlijk meest rustige momenten het geliefkoosde tijdstip waren om toe te slaan. Dat gold evengoed voor hem als voor zijn vijanden. Hij bleef boven aan de trap staan, zwijgend, gaf teken om uit te laden en keek toe. De achterdeur van de bestelwagen werd geopend. Met een sleutel, OK. Enig trekken en schuiven. Er werd een kist uitgeladen. De mannen keken naar hem op en hij wees een plaats aan. De kist werd neergezet. Rustig liepen beiden dan terug naar de wagen, haalden er een tweede kist uit, die op zijn vingerwijzing naast de eerste geplaatst werd. Zijn helper, die zich tot hiertoe afzijdig gehouden had, kwam enkele passen naar voor om de deur van de laadruimte af te sluiten. 'Stoi!' Het klonk als een pistoolschot, iedereen bleef roerloos staan, versteend in de beweging. De majoor kwam traag de trap af, sluipend bijna. Bij de achterzijde van de bestelwagen deed hij teken aan zijn helper, die nog met de klink in de hand stond, om de deur terug te openen, traag en beheerst. De laadruimte was leeg.
|