|
We vlogen over indrukwekkende moerassen, jungles, heuvellandschappen en bergen. Na ruim een uur begon de Cessna te dalen om in de Swartvallei te kunnen landen. We deden ons best zoveel mogelijk te zien en in ons op te nemen. We probeerden vergelijkingen te trekken met de tientallen foto’s en dia’s die we bestudeerd hadden. De met gras bedekte ronde hutjes, waaruit blauwe rook naar boven kringelde, zagen er bijna vertrouwd uit. Een donkerbruine man, bijna naakt, haastte zich naar de plek waar we zouden landen. Toen de wielen de grond raakten, reden we over een hobbelig, met gras bedekt landingsbaantje naar de aangegeven plaats om te parkeren. Opeens overviel het ons: we bevonden ons in het Stenen Tijdperk. De weinige, van foto’s herkenbare gezichten van blanke zendelingen, schenen onder te gaan in een zee van nieuwsgierige gezichten en bruine lichamen, die op het vliegtuigje afsnelden zodra de propeller tot stilstand was gekomen. Iemand opende de deur van het toestel. Uit het rumoer en de bedrijvigheid rondom de Cessna begon de nieuwe taal die we zouden moeten leren, concrete vorm aan te nemen toen inheemse mannen en vrouwen ons hun groeten toeriepen: "Wa, nore. Wa!" ‘Welkom, mijn vriend. Welkom.’ Priscilla, die haar tweede verjaardag aan boord van de Roepat had gevierd, had tijdens de vlucht naar het binnenland op mijn schoot gezeten. Ze had bijna de hele tijd geslapen. Nu was ze de eerste om onze nieuwe vrienden te evalueren. "Papa", riep ze met zichtbare afkeer, "ze hebben allemaal vieze neuzen!" Ze trok haar eigen kleine neusje afkeurend op. Haar opmerking was volkomen juist. Mensen die geen kleren dragen, hebben ook geen zakdoeken. Maar ongetwijfeld viel er meer te ontdekken dan alleen dat. We stapten uit.
|