|
Toen de trein een uurtje later stopte aan het Noordstation, stond de pater ons op te wachten. We liepen hem stralend tegemoet. We hadden zoveel te vertellen, maar de pater vroeg ons even te wachten. Toen riep hij mij bij zich. Hij verwijderde zich van de andere jongens terwijl hij mijn hand vastnam. Hij maakte een gebaar naar een vrouw die wat verderop stond. Ze was slordig gekleed met een oude anorak en ze had lange haren die onder haar witte hoofddoek met rode bloemen uitkwamen. Enkele meters verder stond een oude kinderwagen. Aarzelend kwam de vrouw naar ons toe. De pater nam mijn hand stevig vast en bukte zich. "Dit is je moeder," zei hij, "je gaat nu met haar mee." Ik kreeg een krop in mijn keel. Angstig klampte ik me vast aan de pater en riep dat mijn moeder gestorven was, dat het allemaal leugens waren. Ik huilde en riep gewoon uit schrik voor het onbekende. De pater trachtte mij van zich weg te duwen terwijl mijn zogezegde moeder aan me trok om me van de pater los te rukken. Eén enkel ogenblik loste ik even, en weg was hij. De vrouw, die plots mijn moeder bleek te zijn, sleurde me mee naar de andere kant. Ik kon niet eens afscheid nemen van de juf, de pater en alle vrienden in het jongenstehuis. Ik had zelfs niet de kans gewoon naar de andere jongens te kijken. Ik wist ook niet of andere medereizigers het schouwspel gezien hadden. Het ging ook allemaal zo snel. Ik was er helemaal niet op voorbereid. Die kleine spulletjes die nog op mijn kastje lagen in het jongenstehuis en mijn nieuwe kleren waren op enkele seconden voorgoed verleden tijd.
|