|
Als ze stout was geweest, en dat gebeurde nogal eens, vertelde ze met rollende ogen, werd ze in de smeerput gestopt. Haar vader reed daarna de auto eroverheen en er werd een plank op het gat gelegd, zodat ze niet weg kon. Dan zat ze daar de hele nacht zonder eten, zonder dekens en zonder toilet. Dat was wat ze nog wel het allerwalgelijkste vond, dat hij geen potje of emmer meegaf. Ze kon schreeuwen wat ze wilde, maar niemand hoorde haar. De stank was onverdraaglijk.
"Ik kan het nu nog ruiken die stank van die put", vertelde ze fluisterend tegen Dr. Han de Wit. "De geur van olie en benzine, die lucht is genoeg om van te gaan kotsen", had ze tegen hem gezegd, met een huivering door haar lichaam. Haar schouders hadden helemaal heen en weer bewogen. En dan is er nog zo’n vreselijke geur, beits, waarmee ze alle schuttingen en hokken tegen ‘weer en wind’ beschermen. Die geur geeft haar vandaag de dag nog steeds de associatie met zichzelf als klein kind, in het donker, in de kou, in het kippenhok. Als ze niet in de smeerput werd opgesloten, dan was het kippenhok namelijk een goed alternatief.
Dat vond ze niet zo erg, want ze was dol op de kippen. Ze hield als kind toch al zo veel van dieren. Dieren die je nooit pijn doen simpelweg om je pijn te doen. Het geeft dieren geen genot om je pijn te doen. Ze hield van de kippen. Op een morgen lagen alle kippen met omgedraaide nek in de ren, overal lag bloed. Ze wist niet wat ze zag. Had ze een nachtmerrie? Huilend stond ze bij het hek en haar vader, die aan was komen lopen en zei alleen: "En we eten alles op!"
|